U bent hier

Waordebook: Van "s anderdaags " tot "suig "

Zeuk 'n waord in 't waordebook

Klik op 'n letter van 't alfabet

s anderdaags
volgende dag
sakkere
razen van woede
salemander
salamander
salpieëter
salpeter
sanikmuts
zeurkous
santepiek
boel
saort
soort
saus
jus
schaaf
schaaf
schaaj
grendel
schaaj
schade
schaajlik
onvoordelig
schaajlik
schadelijk
schaal
schil
schaap
legplank
schaap
schap
schael
scheel
schaele
schelen
schaere
scheren
schaermets
scheermes
schaje
schaden
schand
schande
schaol
schaal
schaop
schaap
scharneer
scharnier
schave
schaven
schebbig
onverzorgd
schebraak
wrak
scheep
schip
scheetkin
forse vooruitstekende kin
schei
scheiding ( haarkapsel )
scheie
scheiden
scheif
scheef
scheitere
misgaan
schelde
schelden
schelle
schillen
scherkukske
nakomertje
scherre
schrapen
scherre
scharrelen
schete
schieten
schevaak
vervallen
schieëper
schaapherder
schielver
schilfer
schielvere
schilferen
schiene
schijnen
schiet~bóks
bangerik
schie~f
schijf
schie~n
schijn
schie~r
schaar
schie~reslie~p
scharensliep
schie~t
diaree
schie~t
schijt
schie~te
schijten
schiks
meisje
schink
ham
schödde
afwenden / afkeren
schöddele
schudden
schoeëje
schooien
schoeël
school
schoeën
schoon
schoeën
fijn
schoeën
mooi
schoeën
net
schoef
schurk
schoefel
schoffel
schoefte
schamen
schoegele
schommelen
schoek
schok
schoepe
jatten
schoe~f
schuif
schoe~m
schuim
schoe~mlaepel
schuimspaan
schöld
schuld
schöldig
schuldig
scholk
schort
schölkskesaovend
uitgaansavond
schölp
schulp
schölp
schelp
schómmele
schommelen
schoon
schoen
schoonreem
schoenveter
schoor
bui
schoorpepeer
schuurpapier
schöp
schop
schop
schuur
schöp
spade
schop
berging
schöplaepel
pollepel
schöpnit
schepnet
schöppe
schoppen
schore
schuren
schörge
kruien
schörger
landloper
schörkker
kruiwagen
schot
geweerschot
schóttel
schotel
schóttel
schotel
schóttele wasse
afwassen
schóttelslet
vaatdoek
schouw
schoorsteen
schouw
schoorsteenmantel
schouw
bang
schouwer
schouder
schou~w
angstig
schraol
schraal
schraom
schreef
schräöm
geld
schravelbóks
draaikont
schravele
strompelen
schravele
onhandig
schravelker
rollator
schreuje
schroeien
schrieëw
schreeuw
schrieëwe
schreeuwen
schrie~ve
schrijven
schrie~ver
schrijver
schroebe
schrobben
schroe~f
schroef
schroe~t
kalkoen
schruber
schrobber
schule
schuilen
schume
zoeken
schummel
schimmel
schuulkelder
schuilkelder
schuun
schuin
schuunte
schuinte
schuve
schuiven
schuvere
rillen ( van de kou )
se / dich
je / jij
sebiet
onmiddellijk
sefraon
saffraan
sekrei
cichorei
selderie
selderij
sestig
zestig
sevetig
zeventig
sieraod
sieraad
sikkertaris
secretaris
simmenarie
seminarie
Sinterklaos
Sint-Nicolaas
Sintermerte
Sint-Maarten
sjanse
verkering hebben
sjars (in eine)
in een ruk
sjeloe~rs
jaloers
sjepeng
spitskool
sjiek
deftig
sjiek
tof
sjiekaar
dandy
sjiekenäör
muggenzifter
sjieker
dronken
sjimmiepetje
alpinopet
sjmienk
schmink
sjoenkele
arm in arm bewegen op muziek
sjoester
schoenmaker
sjoklaad
chocolade
slaag
slag
slaagaor
slagader
slaagroum
slagroom
slaaj
sla
slaajlip
vooruitstekende onderlip
slabberdukske
slabbetje
slaop
slaap
slaope
slapen
slaopkammeraod
slapie
slaot
slot
slechter
slager
slechterie
slagerij
slei
slee
sleie
sleeën
slek
slak
Slevenhier
Onze lieve Heer
sliddere
glijden
slieën
sleedoorn
slieëne
bessen van sleedoorn
slieps
stropdas
slietage
slijtage
slie~k
slijk
slie~k
modder
slie~knaat
kletsnat
slie~m
slijm
slie~pe
slijpen
slie~pstein
slijpsteen
slingerkannepee
zweefmolen
sloeberjoechem
sloddervos
sloebertrees
vrouw ( slordig )
sloeët
sloot
sloef
pantoffel
sloek
slok
sloek
snoep
sloeker
snoeper
sloe~te
sluiten
sloe~tspeld
veiligheidspel
slörf
slurf
slörpe
slurpen
sloug
slang ( van rubber )
slouw
sluw
slouwberger
slimmerik
slup
schoot
slupe
sluipen
slupjas
slipjas
sluu~s
sluis
smaal
mager
smaal
smal
smaeke
smeken
smaer
smeer
smaerig
smerig
smeed
smid
smeichele
flikflooien
smeis
soms
smele
buntgras
smert
smart
smie~te
gooien
smik
zweep
smilte
smelten
smoekelaer
smokkelaar
smoekelbóks
plusfour
snaor
snaar
snaps
borreltje
snaps
jenever
snelluiper
autoped
snelluiper
step
snep
bijdehandje
snieboeëne
snijbonen
snieë
sneeuw
snieëje
sneeuwen
snieje
snijden
snierk
sigaret
snippenäörtje
nippertje
snoeke
snikken
snoepgrei
snoepgoed
snoe~t
snuit
snoe~tesoep
kwaad ( gezicht )
snörke
snurken
snótrie~p
overrijp
snótterbel
snotneus
snótterkoeët
snotaap
snutte
vastgrijpen
soep
soep
soepegreun
soepgroen
soepevleis
soepvlees
soepie
schorem
sókker
suiker
sókkerkäörkes
muisjes (op beschuit)
sókkerpaek
dropwater
soldaot
soldaat
spaje
spitten
span herres
kijk eens (uitroep)
spandoe~ze
drukte maken
spas
plezier
speej
spuug
speer
spriet
spegel
spiegel
speik
spaak
speje
spuwen
spekboeën
sperzieboon
speklasie
speculaas
sperjus
asperge
spertele
spartelen
speul
spel
speule
spelen
speule
spoelen
speuler
speler
speulplaats
schoolplein
spieëne
uitdunnen
spienze
gluren
spie~s
cement
spie~t
spijt
spinnejaeger
ragebol
spión
spion
spitse
verheugen ( zich )
splie~te
splijten
spoeëk
spook
spoe~skop
haardos
spoe~ze
stormen
spoje
haasten
spraeke
spreken
spraeker
spreker
spraon
spreeuw
spraot
sport van een ladder
spreuje
sproeien
sproe~t
spruit
spuchte
kattenkwaad
staaf
staf
staats
statig
stad
stad
stadhoe~s
stadhuis
staekbaer
kruisbes
staeke
steken
staekel
stekel
staekelverke
egel
staekvis
stekelbaars
staele
stelen
stal
stal
stalluch
stallantaarn
staoke
provoceren
staoke
stoken
stäöker
stoker
staol
staal
staon
staan
staot
staat
stasie
station
stechele
kibbelen
steelmoos
raapstelen
stein
steen
steinpoe~s
steenpuist
stek
stok
stekreub
knolraap
stel
paar
stens
sigarettenpeuk
stert
staart
sterve
overlijden
sterve
sterven
steure
storen
steure
sturen
steuring
storing
stevel
laars
stiefele
lopen
stie~f
stijf
stie~fsel
stijfsel
stie~p
stut
stikkeduuster
pikdonker
stikkeduuster
stikdonker
stingel
stengel
stinkkieës
Limburgse kaas
stoeët
stoot
stoeëte
stoten
stoep
trottoir
stóf
stof (weefsel)
stökkere
herstellen ( kleren )
stokverf
stopverf
stols
fier
stols
trots
stool
stoel
stophoos
hoestsiroop
stoum
stoom
stoume
stomen
stoumfiets
motorfiets
straevelaer
bekvechter
straevelaer
ruziemaker
straevele
bekvechten
strakkes
binnenkort
stramele
stotteren
straol
straal
straole
stralen
straot
straat
sträöt
strot
straotendrek
straatvuil
straotstein
straatsteen
straotverke
hangjongere
strebant
ondeugend iemand
streem
striem
streen
knot garen
strieële
strelen
striejig
strijdig
strietse
stelen
strie~d
strijd
strie~ke
strijken
strie~kie~zer
strijkijzer
stroeë
stro
stroek
struik
strónse
opscheppen (snoeven)
strónser
opschepper
strónsmadam
kakmadam
stróntvaeger
straatveger
stróntvleeg
aasvlieg
ströp
kwajongen
stroum
stroom
struie
strooien
struime
stromen
struisel
strooisel
strukele
struikelen
stuf
stof (vuil)
stuffe
stof afnemen
stum
stem
stumme
stemmen
stute
loven
stuup
oude man
stuupke
afstapje
stuutje
stuitbeen
stuve
stuiven
stuver
stuiver
suig
rotzooi